Je kent al meer woorden dan je denkt

Neem het woord “informatie”. In het Engels is het “information”, in het Spaans “información”, in het Portugees “informação”. Het eind verandert, het woord niet. Hetzelfde geldt voor “natie”, “situatie” en honderden andere woorden op -tie: het Engels maakt er -tion van, het Spaans -ción, het Portugees -ção. Dat is niet één woord geleerd. Dat is een hele plank vol.

Het werkt vooral goed bij langere, wat formelere woorden, omdat veel daarvan uit het Latijn komen en tegelijk in meerdere talen terechtkwamen. “Systeem”, “probleem” en “universiteit” lijken in het Nederlands, Engels, Spaans en Portugees bijna hetzelfde. Elke keer dat je er een tegenkomt, krijg je een woord cadeau.

Woorden reizen, en sommige komen uit jouw taal

Talen lenen voortdurend woorden van elkaar, meestal door handel, reizen of een goed idee. In 1697 kwam de Russische tsaar Peter de Grote naar Nederland om schepen te leren bouwen. Hij nam de scheepvaartwoorden mee naar huis. Daarom vindt een Nederlander die Russisch leert woorden als “matros” (matroos) en “sjtorm” (storm) gewoon terug.

Hetzelfde spel kun je met elk talenpaar spelen. Het Engels haalde “cookie” uit “koekje”, “boss” uit “baas” en “yacht” uit “jacht”. Het nam “mosquito”, “patio” en “tornado” over uit het Spaans, en “marmalade” uit het Portugese “marmelada”. Andersom zeggen Nederlanders, Spanjaarden en Portugezen elke dag “weekend”, “marketing” en “online”. Maak, voordat je één nieuw woord leert, een lijstje van de woorden die de grens al over zijn.

Hak lange woorden in stukjes: voorkant, midden en eind

Lange woorden lijken eng tot je ze in stukken hakt. De meeste bestaan uit drie delen: een voorvoegsel dat de betekenis verandert, een midden dat de betekenis draagt, en een eind dat vertelt wat voor woord het is.

Neem het Engelse “decompose”. Het midden, “pose”, betekent plaatsen of zetten; het Spaans heeft dezelfde stam in “poner” en het Portugees in “pôr”. Zet er “com-” voor, dat samen betekent, en “compose” is samenstellen, zoals een liedje componeren. Zet er “de-” voor, dat iets ongedaan maakt, en “decompose” is weer uit elkaar halen: ont-samenstellen. Drie kleine stukjes, en elk ervan komt terug in andere woorden: propose, suppose, expose. In het Spaans: componer, proponer, suponer, exponer. In het Portugees: compor, propor, supor, expor.

Elke taal bouwt woorden op die manier. “Onvergetelijk” is on + vergeten + lijk. Het Engels maakt met dezelfde drie stappen “unforgettable”, het Spaans “inolvidable” en het Portugees “inesquecível”. Andere bouwstenen, hetzelfde bouwplan. Zodra je het plan ziet, is een lang woord geen muur meer maar een puzzel die je kunt oplossen.

Zo leer je 5 woorden uit 1

Hier wordt het leuk. In mijn lessen gebruik je niet alleen de taal die je al spreekt om nieuwe woorden te snappen. Je leert ook om uit elk woord een hele familie te halen, zodat je er vijf krijgt voor de prijs van één.

Neem het Portugese woord “canal”. Dat lijkt op ons “kanaal” en op het Engelse “channel”, dus je snapt het meteen. Kijk nu wat eromheen groeit. “Canais” is het meervoud: kanalen. “Canalizar” is het werkwoord: kanaliseren, of water ergens naartoe leiden. Dat geeft je “canalizador”, degene die dat doet: een loodgieter (in Brazilië hoor je “encanador”). En “canalização” is het leidingwerk zelf. Eén woord dat je herkende, vijf woorden die je kunt gebruiken.

De uitgangen komen ook steeds terug. Weet je eenmaal dat “-ador” in het Portugees vaak de persoon is die iets doet, en dat “-ção” van een handeling een ding maakt, dan zie je overal families. Zo groeit je woordenschat vijf keer zo snel, zonder vijf keer zoveel moeite.

  • Zoek de versie van het woord die je al kent uit je eigen taal of uit het Engels.
  • Hak lange woorden in voorkant, midden en eind voordat je ze probeert te onthouden.
  • Vraag bij elk nieuw woord: wat is het meervoud, het werkwoord, de persoon en het ding?
  • Zeg de nieuwe woorden hardop in een zin over je eigen leven.

Pas op voor nep-tweelingen

Niet elk woord dat erop lijkt, spreekt de waarheid. Het Engelse “gift” is een cadeau, geen vergif. Het Spaanse “embarazada” betekent zwanger, niet beschaamd. Het Portugese “puxar” betekent trekken, niet duwen, zoals je bij de eerste cafédeur merkt. Lach erom, maak er een zin mee, en het worden juist de woorden die je nooit meer vergeet.

Probeer het deze week

Kies één woord dat je steeds vergeet. Zoek het woord dat erop lijkt in een taal die je al spreekt, hak het in stukjes en bouw dan de familie: meervoud, werkwoord, persoon, ding. Schrijf de vijf woorden op en zeg met elk een zin. Werkt een woord niet mee? Neem het mee naar de volgende les. Koppige woorden vind ik het leukst.

Wil je hier met iemand aan werken?

Plan een gratis gesprek van 15 minuten, of kies een pakket en we plannen samen je lessen.

Aan de slag